Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0289

Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805947/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 24 juli 2008 heeft minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoekster] gevestigd aan de [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200805947/1. Datum uitspraak: 2 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2008 heeft minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoekster] gevestigd aan de [locatie] te [plaats]. Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2008. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 augustus 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. F.G. van Dam, advocaat te Rotterdam, L. Planting en A.C.P. Nijdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, mr. S. Akgün en B.J. Hunsche, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluit van 16 december 2003 heeft de minister aan [verzoekster] een vergunning krachtens artikel 10.48 van de Wet milieubeheer verleend voor het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen afkomstig uit de scheepvaart, alsmede voor het tijdelijk opslaan van ingezamelde afvalstoffen aan boord van inzamelvaartuigen. Bij besluit van 27 januari 2005 is deze vergunning op aanvraag van [verzoekster] gewijzigd. Bij besluit van 3 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam in zijn hoedanigheid van havenbeheerder als bedoeld in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen [verzoekster] aangewezen voor het in ontvangst nemen van scheepsafval en overige schadelijke afvalstoffen dan wel restanten van schadelijke afvalstoffen. 2.2. De last onder dwangsom heeft betrekking op een geconstateerde overschrijding van de in voorschrift 2.2 van de vergunning gestelde maximale termijn voor opslag van gevaarlijke afvalstoffen aan boord van een inzamelvaartuig. Voorts heeft de last betrekking op de geconstateerde inname van afval met een waarde van meer dan 1.000 milligram per liter chemisch zuurstofverbruik (CZV), hetgeen volgens de minister in strijd is met het acceptatiebeleid van [verzoekster], zoals beschreven in bijlage 4 bij de aanvraag van de wijzigingsvergunning van 27 januari 2005. Ingevolge artikel 7 van deze wijzigingsvergunning maakt deze beschrijving deel uit van de vergunning. 2.3. [verzoekster] betoogt dat de minister ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bevoegd was om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen, omdat de overschrijding van de in het acceptatiebeleid weergegeven waarde voor CZV niet leidt tot een overtreding van dit beleid. Daartoe voert [verzoekster] aan dat uit bijlage 4 bij de aanvraag niet volgt dat gevaarlijke afvalstoffen met een waarde van meer dan 1.000 milligram per liter voor CZV niet door haar mogen worden ingenomen. Een overschrijding van deze waarde brengt volgens [verzoekster] slechts mee dat verwerking niet overeenkomstig het afgesproken vaste tarief plaatsvindt, maar dat een aangepast (hoger) verwerkingstarief geldt. 2.3.1. In de beschrijving van het acceptatiebeleid is weergegeven dat in de jaren dat wordt ingezameld alleen overschrijdingen van de waarden voor CZV en sediment bij oliehoudende stoffen zijn geconstateerd. Deze overschrijdingen leiden tot een aangepast (hoger) verwerkingstarief maar niet tot een andere verwijderingsroute. Mede gezien deze passage kan naar het voorlopig oordeel van de voorzitter het standpunt van de minister niet worden gevolgd dat met de in de beschrijving opgenomen waarde voor CZV een grenswaarde is gesteld waarboven [verzoekster] geen afvalstoffen mag accepteren. De voorzitter betwijfelt dan ook of de vergunning in zoverre wordt overtreden, en in verband daarmee of de minister in zoverre bevoegd was om ten aanzien daarvan een last onder dwangsom op te leggen. 2.3.2. Ingevolge voorschrift 2.2 van de op 16 december 2003 verstrekte vergunning is opslag van gevaarlijke afvalstoffen aan boord van de inzamelvaartuigen van [verzoekster] toegestaan voor een termijn van maximaal 30 maal 24 uur. Niet bestreden is dat in strijd met vergunningvoorschrift 2.2 gevaarlijke afvalstoffen die aan [verzoekster] zijn afgegeven op 14 juni 2008 langer dan de, op 14 juli 2008 verstreken, termijn van 30 maal 24 uur lagen opgeslagen aan boord van een inzamelvaartuig. Gelet daarop kon de minister terzake handhavend optreden. 2.3.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.3.4. [verzoekster] betoogt dat de overschrijding van de maximale opslagtermijn haar niet verweten kan worden. [verzoekster] stelt dat ze ruim binnen de termijn van 30 dagen, namelijk op 27 juni 2008, het afval aan verwerker ATM heeft aangeboden. Eerder had ATM te kennen gegeven deze afvalstoffen binnen 30 dagen te kunnen verwerken. Doordat echter op 27 juni 2008 een vervuiling met insecticiden was opgetreden in de verwerkingsinstallatie van ATM kon het inzamelvaartuig van [verzoekster] op dat moment de desbetreffende afvalstoffen niet bij ATM ter verwerking aanbieden. Dit probleem was eerst op 16 juli 2008 opgelost, waardoor in de nacht van 16 op 17 juli 2008 ATM deze afvalstoffen heeft kunnen innemen. 2.3.5. De minister stelt zich op het standpunt dat de termijn in de vergunning is gesteld om de opslag van gevaarlijke afvalstoffen aan boord van een vaartuig, gezien de risico's die daaraan zijn verbonden, te beperken. Indien het niet mogelijk is de gevaarlijke afvalstoffen binnen die termijn ter verwerking bij een verwerker aan te bieden, dient een andere oplossing, bijvoorbeeld opslag aan land, te worden gezocht, aldus de minister. 2.3.6. Niet in geschil is dat [verzoekster] ruim binnen de termijn van 30 maal 24 uur gevaarlijke afvalstoffen ter verwerking heeft aangeboden aan een erkende verwerker en dat omstandigheden die voor [verzoekster] noch voor ATM te voorzien waren ertoe hebben geleid dat op dat moment deze afvalstoffen niet door ATM konden worden ingenomen. Ten aanzien van het standpunt van de minister dat in een dergelijk geval een andere oplossing dient te worden gezocht, bijvoorbeeld tijdelijke opslag aan land, overweegt de voorzitter, mede gezien het verhandelde ter zitting, dat aan het herhaald overpompen van gevaarlijke afvalstoffen eveneens risico’s kleven. Mede gezien de relatief korte duur van de termijnoverschrijding, is handhavend optreden naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in dit geval niet evenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 2.4. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de minister van 24 juli 2008, kenmerk VI/NM/20080007969/JH tot zes weken nadat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op de bezwaren van [verzoekster] heeft beslist, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist; II. veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,98 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en achtennegentig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. gelast dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Drouen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2008 375-539.